Schrijfkilometers

Lang geleden ging ik in de zomer hardlopen om mijn conditie op peil te houden voor de volleybalcompetitie die kort na de vakantie van start ging. Ik liep omdat het moest, maar had er eigenlijk een hekel aan. Ik deed nou eenmaal liever iets met een bal.

En ondanks een trainingsschema dat je zo goed en zo kwaad wekenlang had gevolgd, bleek achteraf dat geen mens gemaakt is voor het maken van kikkersprongen in een zaal. Meer dan de helft van het team lag na de eerste trainingsweek op de massagebank en kon even niet meer voor of achteruit. Heb nog nooit een fysio zo horen schelden als de onze.

Nog niet zo lang geleden liep ik juist graag hard. Het liefst in het bos, over smalle, soms steile kronkelende paden, die in de herfst/ winter vaak sompig van de regen waren en in de zomer dor en stoffig. Het geglibber door de modderige bossen zorgde ervoor dat je even al je aandacht moest richten op het zonder blessures thuiskomen, terwijl ondertussen gedachtenstromen “aan” of juist “uit” werden gezet. Zomers liep ik voor de alles overheersende hitte van de nog maar net begonnen zomerdag uit, al rennend, zwetend, lekker samen met de natuur ontwaken. Dieren, planten, mooie lichtinvallen, er was van alles te zien terwijl je ondertussen genoot van de geur van het bos. Een geur die ik standaard in mijn huis zou willen hebben. Afgewisseld met die van de zee.

Tegenwoordig verbieden mijn voeten mij om te gaan hardlopen, en maak ik op een andere manier km’ s. Wandelend of per fiets. Maar ook maak ik “schrijfkilometers”. Ik ga hierbij niet snel, er zit (nog) niet echt een regelmaat in, maar zodra ik wil en er tijd, rust en inspiratie is, begin ik en ga door tot ik geen zin of energie meer heb. En als ik dit zo schrijf, vallen mij de overeenkomsten met het hardlopen op.

Deze km’ s geven mij op een of andere manier dezelfde voldoening als de km’ s op mijn hardloopschoenen, alleen word ik er niet moe van, raak ik nooit buiten adem, smaakt het altijd  naar meer, en blijkt de natuur hiervoor een bron van inspiratie. Soms lukt het voor geen meter, en kom ik maar niet vooruit. Ik ben ook maar een mens.

Vanmorgen was ik vroeg op en zat in de tuin, te kijken naar de (baby!)eekhoorn in de boom en tikte in alle rust mijn “schrijfkilometers” weg op het kladblok van mijn mobiel.. En zo ben jij, na het lezen van dit stukje, zonder dat je er erg in hebt gehad, samen met mij opgelopen tijdens het maken van mijn “schrijfkilometer”, ik vond het gezellig, volgende keer weer?

De leugenbank

Snotolf, doorzichtige zakpijp en zeedruif. Zomaar een paar namen van zeedieren waar ik nog nooit van had gehoord. Maar gelukkig zet Natuurmonumenten ze in het zonnetje en wel in De Schelphoek Hammen op Schouwen Duiveland. Bijzondere beesten in een bijzonder stuk Zeeland. Misschien is hun naam wel afgeleid van respectivelijk, de snotaap, klootzak en zee-oetel, waar ik dan wel weer van gehoord heb, maar die geen van allen echte dieren zijn. De klootzak komt hier trouwens wel voor, want die was te herkennen aan het spoor van lege blikjes die hij/zij achteloos op het strand had achtergelaten….

Vroeger huurden mijn ouders een stacaravan in Zeeland. Van Corona had ik toen ook nog nooit gehoord en geluk was nog heel gewoon. Want wat was ik blij, toen mijn ouders met zo’ n coole koelbox op de proppen kwamen, en wel zo’ n mooie oranje uitvoering, hoe hip! Waar, als we dorst hadden gekregen van het kuilen graven en kastelen bouwen, een fles Sisi en de enige echte chocomel van Nutricia uit te voorschijn kwam. Lekker koud geserveerd in de evenzo groene hippe Tupperware bekers was dit een waar feest voor je smaakpapillen en zo blijft dit voor mij een onuitwisbare vakantie herinnering. Zo mooi kan simpel zijn.

Vakantie anno 2020 is een ander verhaal. Schouwen Duiveland verdient wat mij betreft zeker het stempel “Coronaproof”. Als je Renesse een beetje links laat liggen (Sorry, maar de supermarkt daar is echt niet Coronaproof), en op je fiets de fietsknooppunten volgt, word je dwars door de polders, slingerend door de duinen, over de winderige dijken en door de bossen heen geleid. Variatie genoeg voor wie van fietsen houdt, maar ook wandelend kom je hier zeker aan je trekken.  Kop in de wind en gaan. Onderweg staan er vele uitnodigende bankjes waar ik dankbaar gebruik van heb gemaakt. De meeste daarvan zijn zonder tekst, maar in de duinen kwam ik er een tegen met een  herinneringsplaatje, met daarop de wens geschreven dat ” Een ieder die hier zit, er met net zoveel plezier mag zitten als onze ouders ….en….altijd hebben gedaan.” Mooi toch?

De bankjes leenden zich prima voor het lezen van een boek,  lekker in de zon, geen afleiding door mensen die naast je kwamen zitten door de voorgeschreven 1,5 meter afstand. Ik had “Jongleren met vermicelli” van Sigrid van Iersel meegenomen. Een heerlijk ” doe” boek waarin je o.a. wordt aangemoedigd om je durfspier op te rekken . 

In Brouwershaven fietste ik langs drie bejaarde mannen, zittend op, daar is ie weer,  een bankje, deze keer met uitzicht over, hoe kan het ook anders, de haven. Ze hadden het duidelijk naar hun zin. De eerste keer dat ik voorbij fietste keken we elkaar nieuwsgierig aan, gevolgd door een groet. Ik was waarschijnlijk een van de vele toeristen, die dagelijks aan hen voorbij trok. Op de terugweg passeerde ik dit guitige drietal weer, ik zei dat ze maar boften dat ze hier woonden, en dat meende ik oprecht. Ze knikten en vroegen lachend of ik “Alsjeblieft niet alle haaien mee wilde nemen. ” “Huh, haaien? Nee hoor , wees niet bang” en ik fietste door. Stelletje lolbroeken.

Op de hoek van de straat bestelde ik een kop koffie en nam mij voor om straks nog een keer bij ze langs te gaan, om te vragen of ze niet een mooi verhaal voor mij hadden, “nee” heb je en “ja” kan je krijgen. Ze leken tenslotte goed gemutst en wel in voor een praatje. Goeie oefening voor de “durfspier”, al heb je hier nou ook weer niet zo heel veel lef voor nodig. Alles voor een goed verhaal, lees blog. Helaas, ze waren weg. Wat bleef was een lege bank met het opschrift “Leugenbank”. Toen ik dat las, vond ik het des te jammer dat ik ze de vraag niet eerder had gesteld. Ik had ze maar wat graag hun verhaal, desnoods aangedikt met de nodige leugens, willen laten doen. Echt een gemiste kans.

Er bleef niets over dan op internet te kijken wat er te vinden is over het fenomeen ” Leugenbank”.
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal noemt het een plek “waar leegloopende lieden, b.v. zeelieden aan den wal, zich dagelijks verzamelen en allerlei verhalen opdissen”, met als vroegste gebruik in het jaar 1645.
Begin 21e eeuw wordt een plek waar bewoners zo nu en dan samenkomen voor het uitwisselen van roddel en achterklap vaak een hangplek genoemd.”

Deze drie mannen waren dus welbeschouwd gewoon de hangjongeren van Brouwershaven. Zo zie je maar weer, niets is wat het lijkt. Het begrip hangjongeren krijgt voor mij hierdoor in ieder geval een hele nieuwe dimensie.



Als je haar maar goed zit

Help! Mijn kapster stopt ermee, ruim 20 jaar was ik vaste klant. En nu moest ik dus op zoek naar een nieuwe, die snapt wat ik bedoel als ik zeg ” Doe maar een lekkere rommelkop”. Oftewel, een losse coupe, goed geknipt, dat wel graag, maar vooral niet te deftig, na het wassen wat schuim erin, hoofd ondersteboven, föhn erop, beetje wax erin en klaar. Dat dus. En als het even kan, nog net lang genoeg om het achter op het hoofd vast te kunnen zetten, want ik heb graag een escape bij een “bad hairday”. Bijvoorbeeld in deze tijden van corona, waarbij mijn laatste knipbeurt, zo bleek, op 27 februari! jl. is geweest. Dat is drie maanden geleden! Geen overbodige luxe om op zoek te gaan dus.

Mijn eerste levendige herinnering aan een kapper, is die van een herenkapper in Amersfoort. Knipbeurten die hieraan vooraf zijn gegaan, kan ik mij niet herinneren, blijkbaar was ik tevreden met het resultaat. Hoe ik in Amersfoort terecht ben gekomen? Ik heb geen idee, maar ik vermoed dat het iets met de prijs te maken heeft gehad. Ook voor de tandarts gingen we als gezin jarenlang naar Amersfoort, in mijn beleving was dat destijds een tandenheks van een jaar of 70, die waarschijnlijk in het echt mijn huidige leeftijd zal hebben gehad, maar dat terzijde, dat is weer een heel ander verhaal. Misschien had je in Leusden toen nog niet zoveel keuze op dat gebied.

Model bloempot, iets anders kende de herenkapper niet. Ik besloot het te laten groeien, en eenmaal op de juiste lengte, zou mijn moeder mijn dunne steile haren veranderen in een weelderige bos met krullen door het zetten van een thuispermanent. Bij volwassen vrouwen destijds heel populair. Iedereen kon dat, appeltje eitje. Enige nadeel was dat het enorm stonk, maar daar kon ik wel mee leven. De voorgeschreven inwerktijd werd iets verlengd, want dan had ik er lekker lang plezier van. Nou, me dunkt… Nog net niet huilend van ellende fietste ik de volgende dag in volle sprint naar Amersfoort, met de opdracht ” Zo kort mogelijk graag!”. Voor nog geen tien gulden werd mijn kapsel bijna gemilimeterd. Het hele permanent er weer uit, alles beter dan een bos nepkrullen waarbij je de afdruk van de wikkels nog zag zitten, nadat ze er al lang en breed uit waren. Van de fietstocht terug naar Leusden kan ik mij niets herinneren, het verbaasde gezicht van mijn moeder des te meer.

Het zelf blonderen kwam in de mode, “Sprayblond” beloofde je mooie blonde lokken, kwestie van even sprayen, föhn erop “Et voila!”. Dus ik ging voor pittig kort blond. Wit werd mijn haar en de huid van mijn handen ook. Dit goedje was zo chemisch dat het een reactie gaf met mijn zweetdruppels tijdens het volleyballen, waardoor mijn haar een groene gloed kreeg.

Mijn eerste bezoek aan een echte kapperszaak was bij Ad Peters. Als sponsor van ons volleybalteam, kreeg ik eindelijk de door mij zo gewenste bos met krullen en een nieuwe, gezonde kleur, wat een verwennerij.

Maar aan al het goede komt een eind, deze sponsoring hield op waardoor ik mijn haar maar weer zelf ging kleuren en de krullen er in fase’ s uit liet knippen. Henna was destijds hot, en door het te mengen met koffiedik, zou de kleur intenser zijn. Ook dat heb ik geweten. Op rondreis door Indonesie, moest ik vanwege mijn lengte vaak met mensen op de foto, en werd mij door een klein mannetje doodleuk verteld dat ik op een orang- oetang leek. Afgaande op mijn haar kleur destijds en de lengte van mijn armen, snap ik deze vergelijking achteraf ook wel. Ik bedenk mij nu dat een foto van mij misschien wel ergens in een plakboek zit met “orang-oetang” als onderschrift.

Op zoek naar een nieuwe kapper, bleek dat er op afstand van nog geen 500 meter, tientallen kapperszaken te vinden zijn. Op gevoel een keuze gemaakt en de eerste afspraak staat. Ik ben benieuwd wat ze mij gaan adviseren, pittig kort, een Bob of toch in lagen, krullen, of wie weet, aan 1 kant opgeschoren, we gaan het zien. Wat ik wel weet is dat ik ze zeker niet zomaar de vrije hand ga geven, ik heb genoeg geëxperimenteerd met mijn haar, aan mijn hoofd geen polonaise meer.

Barcelona

Barcelona, tot voor kort een zeer populaire vakantiebestemming voor velen. De eerste keer dat ik deze stad bezocht is al weer 24 jaar geleden. Net bevallen van de eerste, viel ons bezoek in het Paasweekend en dus gingen we ervan uit dat het “wel wat drukker zou zijn dan normaal“. Maar in mijn herinnering was het toen nog prima te doen.

Tijdens ons tweede bezoek, in 2013,  kende Park Güell nog geen entreepoorten en was in zijn geheel gratis te bezoeken.  Het was gezellig druk, maar nog steeds goed te doen.

Hoe anders was dat in 2017….Die zomer verbleven we met onze twee jongste kinderen op een camping in Pals. We besloten Barcelona nog één keer te bezoeken. Nu met ons vieren en voor de verandering zouden we de stad deze keer per fiets gaan “verkennen”. Na een relaxte treinrit, melden we ons vol goede zin op de afgesproken locatie bij onze gids, die ons uiteraard de verschillende hotspots van de stad zou laten zien en hopelijk nog wat bonusmateriaal. Uiteraard ontbrak het stadspark Park Güell niet.

Wikipedia leert ons dat “Een stadspark een park is met als voornaamste doelgroep bezoekers en recreanten uit de stad waarin het park is gelegen. Stadsbewoners komen er om van rust te genieten en ‘energie te tanken“. Ik kon mij op de dag van ons bezoek in 2017 niet aan de indruk onttrekken dat er ook maar één stadsbewoner met dit doel naar het park was gekomen. Verhitte toeristen stonden in dikke rijen opgesteld om het plateau met de fraaie mozaïekbanken te betreden, om zo bij helder weer, te kunnen genieten van het uitzicht over de stad. Waar dit een jaar eerder nog gratis was, moest je er inmiddels voor betalen. Het plateau was grotendeels afgezet met een lint, waarschijnlijk voor onderhoudswerkzaamheden. Het gaf pijnlijk aan hoezeer deze stad en haar bewoners langzaamaan bezwijkt  onder de enorme bezoekers aantallen. 

We besloten dat deel van het park te laten voor wat het was, en toen we onze fietstocht weer vervolgden, viel het op dat menig bewoner zeer geïrriteerd op ons fietsers reageerde. Vaak ook verbaal.  Schril contrast met het beeld dat ik tot nu toe had van de gemiddelde Spanjaard/Catalaan.  Maar ik kon het ze eigenlijk niet kwalijk nemen. Wat voor ons een “lekker dagje weg van de camping” was, was voor hen de zoveelste dag uit een veel te lange hete zomer met een overkill van passanten in de door hun zo geliefde stad.  Niet voor niets verruilen vele Spanjaarden in de zomer hun woning in de grote stad voor een seizoensplaats op een nabij gelegen camping. Weg van de hitte en de mensenmassa’s.

Om verder geen irritatie op te wekken (met enkel mijn aanwezigheid), probeerde ik zo onopvallend mogelijk en met respect voor de bewoners en hun stad, achter onze gids aan te fietsen. Een naar gevoel van “je ergens teveel te voelen” bekroop me. Ik wenste dat ik niet zo duidelijk herkenbaar was als toerist, maar dat was met mijn Hollandse hoofd en lange lijf onmogelijk. Onze gids beaamde dat de stad overduidelijk een stuk drukker was geworden. Van 250.000 bezoekers naar 25 miljoen! bezoekers per jaar. Merendeel van deze bezoekers komt in de periode April – September, dus tel uit je ” winst”. Hij vertelde dat de stad, voor de komst van de OS in 1992,  ruim twee keer zo klein was geweest.  Maar de infrastructuur werd flink aangepakt, nieuwe wijken werden aangelegd en door de “mindere” wijken zoals de Ramblas ging een flinke bezem.

Tijdens de opening van deze spelen, klonk het loflied “Barcelona”. Al in 1987 door Freddie Mercury op verzoek van Montserrat Caballé geschreven.  Behalve een loflied was het ook een oproep om “De poorten te openen voor de wereld”. “Leef! Barcelona!” Zo klinkt het in het laatste couplet. Deze oproep heeft zijn uitwerking niet gemist. Barcelona heeft overduidelijk op een aantal punten flink geprofiteerd van de komst van de OS, maar heeft hiermee ook aan authenticiteit ingeleverd. Iets wat je niet zomaar meer even terugdraait.

Tijdens onze fietstocht werd ik met het uur nieuwsgieriger naar het Barcelona van ver voor de Olympische spelen. In het bijzonder naar de periode waarin Gaudi nog persoonlijk langs de deuren ging om geld in te zamelen om de bouw van zijn Sagrada Familia voort te kunnen zetten. Hoe anders zal het straatbeeld er toen hebben uitgezien. De stadsparken slechts gevuld met stadsbewoners, zoals oorspronkelijk bedoeld.

Nog geen week na ons bezoek, op 17 augustus 2017 werd Barcelona getroffen door een terreuraanslag. Een actie die op een vreselijke manier duidelijk maakte hoe kwetsbaar de stad is. En nu, terwijl men wellicht dacht dat het niet erger kon, komt de Coronacrisis daar nog eens overheen.
Spanje heeft al overwogen om deze zomer alle buitenlandse toeristen te weren. Wie had dat ooit kunnen bedenken, ja, misschien heeft een enkele inwoner van Barcelona ooit stiekem wel gehoopt zijn stad weer eens voor zichzelf te hebben. Maar vast niet op deze manier. Afgelopen weekend mochten Spaanse kinderen onder de 14 voor het eerst sinds half maart! weer naar buiten. In Barcelona gingen velen van hen naar de Sagrada Familia. Ik snap dat. Want als er één bouwwerk op deze aarde symbool staat voor het hebben van een hele lange adem, dan is dat wel de Sagrada Familia. En in deze tijden geeft dat wellicht hoop.

Heel Holland…..

Sinds de Corona crisis, koken we thuis per toerbeurt, en op woensdag kook ik. Geinspireerd door Ramon Brugman, als chefkok te zien in het programma “Binnenste Buiten“, koos ik deze week voor zijn recept van Turkse pide met cacik. Zag er op TV heerlijk uit, niet al te ingewikkeld en extra lekker/leuk door het zelfgemaakte deeg. Leuk klusje voor als je zoveel mogelijk binnen moet blijven.
Bloem, gist, suiker, (Turkse)yoghurt, tomaat, paprika, gehakt, ui, komkommer, verse kruiden, sla, citroen, tomatenpuree, sambal, knoflook, eitje, zout & peper. Zaken die wij op een doorsnee dag eigenlijk altijd wel in huis hebben, en inderdaad, ik greep alleen mis bij de bloem & gist.
Dus de fiets gepakt en even naar de super. Voor 1 pak bloem en wat gist, hoe moeilijk kan het zijn? Vijf minuten, hooguit, dan zou ik weer buiten staan.
Er had een lampje moeten gaan branden. Vorige maand stond ik na de eerste massale hamsterwoede tenslotte ook voor een lege pallet. Zouden die hamsteraars van toen inmiddels weten, dat er in bloem, na verloop van tijd, beestjes kunnen “ontstaan” en dat het aanleggen van grote voorraden voor thuisgebruik wellicht dus niet zo handig is?
Ik ging ervan uit dat er inmiddels wel weer genoeg bloem in de schappen zou liggen, maar dat viel tegen. Gelukkig was de redding nabij en wel in de persoon van Robèrt van Beckhoven. Achterin het verder vrijwel lege schap van de AH, lachtte hij mij vanaf een tiental pakken “Meesterlijke Broodbloem, bij Robèrt“, toe. Nooit geweten dat ik zo blij kon worden bij het zien van een pak bloem.
Dr. Oetker bleek de vraag naar gist ook niet meer aan te kunnen, dus bij de lokale bakker, behalve een brood ook wat verse gist gehaald. Samen met de Meesterlijke broodbloem van Robèrt, kon dit toch alleen maar een topresultaat opleveren?
Het maken van de Pide’s bleek inderdaad een leuk tijdsverdrijf. Waar Ramon het in zijn instructiefilmpje in 8,08 minuten fixt om het deeg te kneden, de vulling, cacik én een salade te maken, doe ik hier wel wat langer over. Als ik de snelheid van zijn snijtechniek probeer te evenaren, kost mij dat bijna een paar vingers. Meer hakkend dan snijdend verdwijnen de ingredienten in de kom. Ik snap nu wel gelijk de waarschuwing op de website bij het recept, dat “het (na)maken van dit product op eigen risico is waarvoor de KRO-NCRV geen aansprakelijkheid aanvaardt”.
Het aanrecht verandert al snel in een slagveld, maar het helpt om even te ontsnappen aan het alles overheersende Corona nieuws. Het koken onder leiding van Chef kok Raymond, muzikaal begeleid door de muziek (lekker hard, sorry buurtjes) van BLØF , bleek voor mij een gouden combi.
Zonder te willen opscheppen, de Pide’s smaakten hemels. Dus, mocht je als hamsteraar dit nu lezen en met een overschot aan bloem en gist zitten, dan is dit wellicht een leuke manier om er vanaf te komen, voordat de beestjes van zich laten horen.

Lévi & Eus

“Aanvang 12.00 uur” stond er in de aankondiging. Om kwart voor twaalf meldde ik mij gisteren in de druilerige regen bij de nog dichte deur van boekhandel Nawijn en Polak.  Samen met een dertigtal andere geïnteresseerden én met Özcan Akyol, één van de twee sprekers waarvoor ik op de fiets was gestapt. Een boekhandel kent nou eenmaal geen artiesteningang en laten we dat vooral zo houden, het heeft zo zijn charme.
 
Even later zat ik midden in de winkel tussen de volle en uitnodigende boekenkasten op een plastic klapstoel, schouder aan schouder en met mijn knokkelige knieën in de rug van een onbekende man voor mij. Maar het hinderde niet. We hadden er duidelijk allemaal zin in. Voor ons was een bescheiden podium gecreëerd, het bleek meer dan genoeg voor het duo Levi WeemoedtÖzcan Akyol. We kregen een soort cabaretesk voorgeschoteld dat in een theater niet zou misstaan. Over een al doodgewaande dichter die in zijn zeventigste levensjaar nog springlevend blijkt te zijn. In de jaren tachtig bij lezend Nederland geroemd om zijn talent, maar, zo vertelde hij, hij was ook grote delen van zijn (schrijvende) leven onzichtbaar. Had last van sociaal ongemak, onzekerheid en depressieve gedachten. Hij verloor zijn vrouw,  vond zijn heil in de drank, oftewel, onderging het leven in al zijn rauwheid. Maar hij schreef. Goddank!

En toen was daar zijn grote fan Özcan, die de kans kreeg om hem te herintroduceren bij het grote publiek en dat is meer dan gelukt. In twee maanden tijd beleeft de bundel “Pessimisme kun je leren” al zijn achtste druk. Het schijnt dat ze elkaar pas vijf of zes keer in het echt hebben gesproken, maar je krijgt het idee dat ze al jaren dikke vrienden zijn. Hun energie is aanstekelijk en door gewoon zichzelf te zijn krijgen ze met het grootste gemak het publiek op hun hand. Gekscherend noemen ze elkaar vader en zoon. Mooi en ontroerend, gezien hun beider eigen vader – zoon relatie.

Na een kleine drie kwartier namen ze helaas al afscheid, ze moesten door naar Amsterdam, waar volgens Levi “Meer provincialen wonen dan op de Veluwe”. De tranen van het lachen nog vanachter mijn brillenglazen wegpoetsend, kocht ik hongerig naar meer, van beide een gesigneerd boek. 
In mijn ogen verdienen ze naast de titel “Schrijver” en/of “Dichter” beide ook die van “Meesterverteller”. En ik hoop na gisteren alleen maar dat Levi, zoals door hem gezegd, niet echt vier jaar gaat doen over zijn nieuwe boek/bundel, want zo lang wachten kunnen een hele hoop (nieuwe) fans echt niet meer! 

De Stelvio

“Hoe sterk is de eenzame fietser die kromgebogen, over zijn stuur tegen de wind, zichzelf een weg baant……” 

Tijdens de achtenveertig! haarspeldbochten op de Stelvio heb je alle tijd om over het antwoord op die vraag van Boudewijn de Groot na te denken. Ruim drie en een half uur in mijn geval. En dan heb ik het nog niet over de terugweg, want via Zwitserland richting onze camping kwam daar nog een kleine twee uur bij op. Eenzaam? Geen moment. Sterk? Ja, iedereen die ik vandaag die berg heb op (en af) zien gaan, straalde kracht uit. Een gevoel van, “Ik weet dat het niet makkelijk wordt, maar het zal mij lukken!”

Auto’ s met dagjesmensen, auto’ s met snelheidsduivels, motoren met teveel PK’s en teveel testosteron in de bestuurders om zich veilig langs die omhoog kruipende fietsers te manouvreren. Een held op rollerskies, en een ploeg van Lotto Soudal compleet met volgauto’ s. Genoeg te zien dus.Tijdens een pauze in een van de bochten, keek ik over het stenen muurtje naar beneden en stond oog in oog met een reuze bergmarmot. Make my day.

Na verloop van tijd heb je dan eindelijk de drie eerste haarspeldbochten gehad en na lange tijd doemt daar “ineens” het beeld op dat je herkent van je speurtocht op Google naar informatie over en beeldmateriaal van de Stelvio.

Even zakt de moed je in de schoenen, want op de weg staat met verf geschreven dat je nog zeven kilometers te gaan hebt, en dat met nog zo’n kleine twintig haarspeldbochten in het verschiet…

Maar daar klinkt spontaan het ” Alles komt terecht, we zijn er nog niet, maar we zijn onderweg” van De Dijk in mijn hoofd. Tijd om nog eens goed op de fiets te gaan zitten en vooral te blijven genieten van het prachtige decor waarin ik mij begeef. En om, nu de vermoeidheid parten gaat spelen, vooral in de bochten voorbereid te blijven op mogelijke tegenliggers, die in hun euforie maar een ding willen, zo hard mogelijk weer naar beneden.

Het laatste stuk lalde Guus Meeuwis in mijn oor, ” Het dondert en het bliksemt en het regent meters bier, het is dus pompen of verzuipen, da’ s de enige manier. Om de juiste koers te varen met de wind in onze rug, geniet met volle teugen zulk een dag komt nooit meer terug, la la, la la la la la la…” etc. Met een smile van oor tot oor kwam ik uiteindelijk, moe maar super voldaan boven. En dat van die meters bier? Dat is helemaal goed gekomen.

Chroom-6

Wellicht is het je ontgaan, maar morgen 4 juni 2018 wordt een spannende, belangrijke dag voor vele (oud)medewerkers van Defensie en/of nabestaanden. Deze dag is er een persbijeenkomst over het onlangs afgeronde onderzoek van het RIVM, naar de gevolgen van het werken met Chroom-6, een chroomhoudende verf . Het onderzoek heeft (voorlopig) betrekking op vijf NAVO-depots voor opslag en onderhoud van Amerikaans materieel in de periode van 1984 tot en met 2006. Tijdens deze bijeenkomst zal worden ingegaan op de onderzoeksresultaten van het RIVM, de aanbevelingen van de Paritaire Commissie en de reactie van Defensie.
Defensie, die volgens hun slogan op de eigen website “Beschermt wat ons dierbaar is“, met daarbij de uitleg: “Militairen verdedigen Nederland, de (economische) belangen en bevriende landen. Ze komen op voor anderen en ondersteunen bij rampen. Zo draagt Defensie bij aan vrede, vrijheid en veiligheid in de wereld.
Maar….. horen de kopstukken van Defensie, niet bovenal ook hun “uitvoerenden” te beschermen? Zoals daar o.a. zijn, de mensen in het veld, (denk bijvoorbeeld aan het drama met de ondeugdelijke mortier in Mali) en de mensen die het materieel onderhouden? Of tellen die niet mee? Zijn het slechts schakels in een proces, die, naar het nu schijnt, op het verkeerde moment voor de verkeerde werkgever werkten?
In bovengenoemde periode zijn twee- tot drieduizend werknemers tijdens onderhoudswerkzaamheden blootgesteld aan Chroom-6. Een chroomhoudende verf die ervoor moest zorgen dat de peperdure (Amerikaanse) tanks niet al weg waren geroest voordat ze ook maar één vijandig doel hadden getroffen. Is het zo pijnlijk eenvoudig? Ja, helaas wel, Chroom-6 is op zijn zachtst gezegd niet veel meer dan een laag verf om roestvorming te voorkomen….Maar wel één met vergaande gevolgen als je het straalt, opschuurt, last of slijpt en je daarbij niet voldoende beschermingsmiddelen tot je beschikking krijgt.
Dat het werken met Chroom-6 grote gezondheidsrisico’s met zich meebracht, was in 1973 bij de luchtmacht al bekend, blijkt nu uit het rapport. Het lijkt erop dat men in 1984 bij de start van de depots, doelbewust, om in militaire termen te blijven, deze “onzichtbare sluipmoordenaar”, heeft doodgezwegen, want “hem” stoppen, dat zou teveel kosten en het project in gevaar hebben gebracht. De belofte om “alles te beschermen wat hen dierbaar is” werd destijds voor het gemak maar even in de nog nieuw te openen doofpot gestopt.
Nu deze doofpot na al die jaren publiekelijk open gaat, hoop ik van harte dat Defensie zijn verantwoordelijkheid hier neemt en de vele gedupeerden die hierdoor vaak levenslang hebben gekregen, financieel tegemoedkomt. Hun gezondheid krijgen ze er niet mee terug, maar een compensatie voor het vele leed zou in dit dossier méér dan op zijn plaats zijn.

 

Kleedjesmarkt

Als kind liep ik, de avond voorafgaand aan Koninginnedag, in Leusden mee met de lampionenoptocht. Op de dag zelf werden de inwoners feestelijk gewekt door kinderen die met conservenblikken achter hun fiets door de straten reden. In de middag moedigden we “onze ome Daan” aan, die in een oude Daf meedeed aan de jaarlijkse autocross. Dit ging er in mijn beleving best heftig aan toe, opspattende graspollen, ronkende, stinkende auto’s, stoere mannen en het in de lucht hangende besef, dat het allemaal niet geheel ongevaarlijk was.
Tegenwoordig heeft ieder zichzelf respecterend dorp, tijdens Koningsdag een kleedjesmarkt, en oh wat hou ik ervan, in de rol van koper of verkoper, het is mij om het even. De weergoden hadden er gisteren ook zin in, op een enkele spat na bleef het droog in Apeldoorn.
Hoe anders was dat jaren geleden. De weersvoorspellingen beloofden die dag al niet veel goeds, maar de app van Buienrader bestond nog niet, en we besloten het er maar op te wagen, aan koopwaar geen gebrek en wat kon ons gebeuren, we hadden tenslotte een partytent bij ons. ’s Ochtends verliep de verkoop prima, ’s middags begon het hard te regenen, het leek of al het hemelwater van die middag Apeldoorn probeerde te verlaten via dat ene kleine putje, midden onder ons kleedje….De partytent hield onze spullen van bovenaf voor even droog, maar voor we er erg in hadden dreven onze spullen in het water, omdat het putje deze hoeveelheid neerslag niet aankon. De stratenmakers die het straatwerk hadden geleverd verstonden hun vak, de stenen waren mooi op afschot gelegd…..
Een ander jaar stonden we op een droge dag tegenover de ingang van CODA, en terwijl de mensen aan de overkant in een t-shirt met korte mouw hun waar stonden aan te prijzen, hielden wij de winterjas die dag maar aan, onze kant van de straat was de kant waar de zon zich weinig liet zien. Het kon de pret niet drukken, we hadden goed verkoopbare spullen, kinderfietsen, lp’s (waar ik nu achteraf nog steeds spijt van heb), kinderkleding, speelgoed etc. en een paar gloednieuwe groene Palladium’s die achteraf toch net een maatje te klein bleken. In de veronderstelling dat kenners daar vast nog wel wat voor over zouden hebben, gaf ik ze een prominente plaats, lekker vooraan, goed in het zicht.  Of het aan het model, de maat, of misschien toch de groene kleur lag, ik weet het niet, maar lange tijd werden de schoenen niet eens bekeken, laat staan opgepakt. Echter, een Turkse man in net (maat)kostuum zag er wel wat in. Na wat heen en weer geklets, begon het grote afdingen, iets waar ik geen kaas van heb gegeten. En zo kocht hij ze voor nog minder dan een prikkie. Was het omdat ze zo lekker zaten of omdat ze zo goed pasten bij zijn pak dat hij besloot ze gelijk aan te houden? Ik had werkelijk geen idee, maar het beeld van de man in zijn nette pak met de ietwat lompe groene trekking schoenen leverde mij genoeg plezier op om hem dat koopje te gunnen. Marktplaats moest nog worden bedacht, dus wat moest ik er anders mee? En daar heb je gelijk de gunfactor te pakken die voor mij die kleedjesmarkt zo leuk maakt. Mét de daaraan voorafgaande verkooppraatjes.
Een ander bijzonder object dat ik met veel plezier ooit heb verkocht, was een door mij zelf gemaakt “koeienpak”, eenmalig gebruikt tijdens de bruiloft van mijn broer. De koper was er maar wat blij mee, “voor tijdens carnaval”. Hij blij, ik blij.
Onze meest bijzondere kleedjesmarkt aankoop was die van onze eerste wandelwagen. Een echte klassieker, de “Rolls Royce” onder de wandelwagens werd hij genoemd, een originele Silver Cross. Klein detail, ik was niet eens zwanger, maar met al wel een kinderwens, zagen we hem staan en we wisten; die is voor ons! Om roddels en vragen te voorkomen, bedongen we met de verkoper dat we hem die avond, in het donker, op zouden halen. Vervolgens stalden we hem op zolder, de kinderwens kwam gelukkig uit, en met veel plezier hebben we de nodige rondjes gemaakt. Niet handig, wel erg leuk. Met toch wel een beetje pijn in ons hart, hebben we hem uiteindelijk wegens ruimtegebrek ook weer via de kleedjesmarkt verkocht, niet aan de opkoper die hem voor een schijntje wilde overnemen, maar aan een zwangere vrouw. Gevalletje gunfactor.
Die ene dag in het jaar, waarop we de vlaggen laten wapperen, de straten oranje kleuren en kinderen door de straat fietsen met hun zelfgemaakte mutsen en de stad in beslag wordt genomen door kleedjes en ander vertier, ik hou ervan en hoop dat deze traditie nooit verloren gaat.

 

Burendag 2017

Burendag, een initiatief van Douwe Egberts en het Oranje Fonds, bestaat inmiddels al twaalf jaar. Nooit eerder aan meegedaan, tot vorig jaar. Nieuwe buurtbewoners organiseerden samen met hun buren een borrel, lekker buiten, gewoon op de stoep voor het huis.
Vorige week viel er weer een uitnodiging in de bus, het lijkt er dus op dat er een nieuwe traditie in onze straat is ontstaan. En gezien de opkomst voldoen ze blijkbaar aan een behoefte. Iedereen neemt wat te drinken en te happen mee, wel zo makkelijk en je verdeelt de kosten onderling.
Het lijkt misschien niet zo bijzonder, maar ik vind het wel bijzonder. In een tijd waarin iedereen druk is met zijn gezin, werk, sport, vrienden en meer, vinden we het als buurtjes blijkbaar toch heel leuk dat dit soort initiatieven worden genomen.
Wat weten we eigenlijk van de mensen waarmee we vaak al jaren in dezelfde straat wonen? Ik in ieder geval voldoende om mij in deze straat al heel lang thuis te voelen.
In de wetenschap dat, mochten we problemen met onze VW bus hebben, de overbuurman nooit te beroerd is er even naar te kijken. Dezelfde buurman gooit al jaren, geheel belangeloos, iedere! avond de Apeldoornse Krant bij ons door de bus. Onze oude buurtjes waarmee we samen naar de OS in Londen zijn geweest, zijn geen buren meer, maar wel “vrienden voor het leven”. En hun “plaatsvervangers”?,  zij vulden destijds de ontstane lege plek op hun beurt weer net zo makkelijk, alsof het altijd zo was geweest. In de zomer zorgen we voor buurkat Pim, niet omdat het moet, maar omdat het kan. Sleutels van elkaars huizen worden uitgewisseld “voor het geval dat”. “Kletspraatjes” op de stoep, al is het maar een snel “Goejesmorgens !”. En zo kan ik nog wel even doorgaan.
Ik voel mij rijk, dat ik woon in een straat als de onze. Hoe anders was dat in onze eerste flat, s’nachts wakker liggend van de buurman die tot diep in de nacht Andre Hazes hard aan had staan. Ik zie mij nog met mijn badslipper op de muur slaan, na eerst te hebben aangebeld zonder te zijn gehoord. Het mocht niet baten, ik kwam natuurlijk nooit over de muziek heen…. Of die keer dat ze ons kerstpakket in ontvangst hadden genomen. De buurvrouw kwam hem netjes opengemaakt brengen en vertelde doodleuk dat “Het een héél leuk pakket was, met o.a. een Chinees theepotje erin!”. Okee?!!? We hebben het pakket toen maar aan haar gegeven, als dank voor het aanpakken en de verrassing was er nu toch wel af.
Woonplezier, ik ben er van overtuigd dat dat voor een heel groot deel bepaald wordt door je buurtgenoten. Op de televisie zijn genoeg voorbeelden te vinden waar buren elkaar zowat de oorlog verklaren. Vreselijk. Het gaat vaak over recht van overpad, meestal op erven groter dan een voetbal veld. Wat een armoe denk ik dan. Leven en laten leven, als je dat lukt met je buren, dan is een goede buur soms inderdaad beter dan een verre vriend.

(Be)leef je eigen plan!